Gesprekken in mijn kathedraal. Deel 1

Ik zit alleen in mijn kathedraal.

In de grote, lege ruimte hangen ronde kroonluchters. De kaarsen branden. De vlammen lijken stil te staan. Er is geen enkele beweging in de ruimte. Door de hoge glas-in-loodramen valt een prachtig veelkleurig licht, dat mozaïekvormen tekent op de stenen vloer. In het midden van de kathedraal brandt een klein Liefdesvuur, waar ik mij aan warm.

Dan wordt er op de poort geklopt. Het geluid galmt door de gewelven.

Ik doe open. Buiten staat een silhouet. Wanneer het aarzelend een stap naar voren zet, zie ik mezelf. Het is mijn fysieke ‘ik’.

Ik nodig haar uit binnen te komen.

Ze loopt achter me aan. Ze lijkt zich ongemakkelijk te voelen als ze naast me plaats neemt.

Zwijgend zitten we een tijdje samen bij het Liefdesvuur. Dan begint mijn fysieke ik langzaam te vertellen wat zich buiten mijn kathedraal afspeelt.

Ik luister. In haar woorden proef ik angst.

Maar ik laat haar vertellen.

Als haar verhaal is afgelopen, zwijgen we. Samen kijken we in de vlammen van het vuur.

Dan verbreek ik de stilte: ‘Ik wil je vragen je angst los te laten.’

Ze kijkt mij verwonderd aan. ‘Dat kan ik niet. Dat is mijn overlevingsinstinct’, zegt ze. ‘Ik kan dat toch niet loslaten. Ik heb de zorg om te overleven in de stof.’

Ik begrijp heel goed wat ze bedoelt. Ik vind het ook heel goed dat ze naar dat instinct luistert.

Ik besluit haar mijn verzoek uit te leggen: ‘Ik zou zó graag de schoonheid van mijn kathedraal in de stoffelijke wereld zichtbaar willen maken. De kleuren die op de vloer vallen, de patronen op de gewelven. (We kijken even samen omhoog.) De stilte. Dat kan ik niet zelf. Daar heb ik jou voor nodig. Dat jij het mede creëert in de stof.’

Ze knikt bedachtzaam. ‘Maar hoe dan?’

‘Door mij als ijkpunt te nemen’, antwoord ik stilletjes.

Ze gaat verzitten. Kijkt fronsend in het vuur. Het is duidelijk dat ze zich ongemakkelijk voelt.

‘Weet je’, begint ze, ‘ik ben stof, materie. Ik -.’

Dan valt ze stil. Ze kent de buitenwereld als geen ander. Ze weet heel goed hoe te handelen om haar plek veilig te stellen. Ze beheerst veel verschillende tactieken. Maar de uitdaging om de innerlijke kathedraal in de buitenwereld neer te gaan zetten lijkt te veel gevraagd.

Ze zwijgt. Ze laat mijn vraag bezinken. In haar hoofd overweegt ze alle voors en tegens. Waarom zou ze dit gaan ondernemen? Overleven is haar drijfveer en dat vergt al meer dan genoeg inspanning. Om dan nu een andere koers te gaan varen? Ze twijfelt. Er is meer overtuiging voor nodig.

Intussen zie, hoor en voel ik haar denken. Ik besef dat zij dit alles eerst moet overwegen.

Buiten verandert er iets aan de hemel. Een fonkelend licht breekt door de ramen en valt in zilver en goud op de grond.

Ik verbreek de stilte: ‘Weet je. ik besef heel goed wat jij doet en waar jij voor staat. Toch zou het fijn zijn als jij en ik ons verbinden. Ik zou graag -.’

‘Ja maar jij zit hier zo veilig’, onderbreekt zij mij met een hulpeloze oogopslag. ‘Jij hoeft niet te overleven hier in jouw kathedraal. Hier kan jou niets gebeuren. In de buitenwereld is dat wel even anders. Daar dreigt gevaar. Steeds, altijd, ben ik op m’n hoede voor het gevaar. En… als ik ook maar iets laat zien van jouw kathedraal in de buitenwereld, dan, dan… moet ik nóg meer op m’n hoede zijn. Omdat, omdat de buitenwereld geen ruimte heeft voor al dit zweverige gedoe. Deze kwetsbare schoonheid. Het is geen werkelijkheid voor al diegenen die de materie als werkelijkheid zien. Het lijkt hen te bedreigen in hun belevingswereld.

Even denkt ze na. Ze lijkt in een innerlijke strijd te verkeren. Dan gaat ze verder: ‘Ik weet het niet. Ik voel dat ik faal als ik aan jou denk. Ik laat jou in de steek. Maar écht, ik kan het niet.’ Ze kijkt me indringend aan:  ‘Kun jij me helpen om niet te falen?’

‘Natuurlijk help ik jou’, antwoord ik. ‘Weet dat ik niets van jou vraag wat jou in gevaar brengt. Jij bent voor mij mijn hoogste goed hier op deze planeet. Zonder jou kan ik me niet zichtbaar maken. Ik wil je mijn vertrouwen geven zodat je kunt voelen dat ik jou voor ieder gevaar behoed. Het dient ook mij om jou te beschermen.’

‘Ik, ik weet het nog niet’, zegt ze met twijfel in haar stem. ‘Want weet je, jouw liefde is zó overweldigend dat ik mijn angst vergeet. En angst is mijn overleving. Als ik geen angst meer voel, word ik een schietschijf. Alleen al die gedachte maakt me bang.’

‘Je hoeft jouw angst niet weg te duwen’, antwoord ik. ‘Die mag er zijn. Wanneer je die voelt, kom je naar mij, hier in onze kathedraal. Hij is er ook voor jou. Je legt jouw angst hier in het Liefdesvuur. Samen kijken we dan naar de vlammen die eruit omhoog komen, het antwoord dat de liefde ons vervolgens geeft.’

Ik zie en voel dat mijn fysieke ik ontspant. Ze glimlacht naar me. Ze staat op, komt naar me toe en geeft me een knuffel. Daarna kijken we om ons heen, aangetrokken door het licht in onze ooghoeken. Om ons heen zijn tientallen fonkelende lichtstralen. Op de vloer om ons heen tekent zich een cirkel af, waarvan wij het middelpunt vormen. De kleuren van de ramen dansen om ons heen.

‘Weet je, hier zou ik wel altijd willen blijven’, fluistert mijn fysieke ik. Er is hoop te lezen in haar ogen. ‘Ik zou altijd bij jou in deze Kathedraal willen blijven. Het is hier vredig. Hier is geen angst. Dat voelt zo bevrijdend.’

‘Weet je’, zeg ik, ‘dat wat jij nu voelt, kunnen wij samen creëren in de buitenwereld. We kunnen gaan oefenen. Je hoeft het niet meteen te kunnen. Daarvoor zijn we op deze aarde. Jij bent altijd een deel van deze aarde. Dat verandert nooit. Op een van de muren van deze kathedraal staat de tekst ‘Gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeren’. Daarmee weerspiegel jij deze kathedraal al voor een deel. Jij vertegenwoordigt mij al in de buitenwereld. Alleen gaan we nu een stap verder. Jij mag de liefde gaan toelaten, zonder angst haar te verliezen. Je raakt de liefde namelijk nooit kwijt. Alleen weiger jij het om de liefde te voelen, toe te laten.’

‘Dat klopt’, bevestigt mijn fysieke ik. ‘Ik raak er overstuur van. Het is veel gemakkelijker voor mij om de liefde buiten mij te houden. Het niet écht te voelen.’

‘Waarom is dat makkelijker?’ vraag ik.

‘Liefde verwart me’, antwoordt ze. Ze lijkt de verwarring meteen weer te voelen. Hij is af te lezen op haar gezicht. ‘Ik ga ervan twijfelen.  Handelen vanuit angst geeft me meer richting. Wanneer ik liefde toelaat, word ik heen en weer gezwiept.’

‘Mag ik jou iets uitleggen?’ vraag ik haar.

‘Natuurlijk’, zegt ze. De plooien in haar voorhoofd verzachten en verdwijnen. Haar schouders, die gespannen waren, zakken. Haar ademhaling, die gejaagd was, vertraagt. Ze kruipt nog wat dichter naar het Liefdesvuur, dat zacht knispert. Om ons heen dansen nog steeds de kleuren van de ramen.

‘Ik wil je uitleggen wat de Liefde doet als zij jou wil bedanken voor jouw heldendaden. Als jij lichtzaadjes plant in de buitenwereld en deze voedt dan worden ze stap voor stap zichtbaar. Het zichtbaar worden van hetgeen jij geplant hebt, roept reacties op. Iedereen ontvangt jouw licht op een andere manier. Vaak krijg je liefde en dankbaarheid terug. Door die liefde te ontvangen en toe te laten in jouw lijf wordt onze kathedraal zichtbaar in de buitenwereld. De dankbaarheid die jij ontvangt zorgt ervoor dat licht dat door deze ramen naar binnen komt nog helderder wordt. De liefde die jij ontvangt wakkert dit Liefdesvuur aan. Het wordt groter en groter en verlicht de muren. Zo wordt de kathedraal volledig zichtbaar van binnenuit. Alle hoeken en gaten worden dan volledig belicht. Begrijp je wat ik bedoel?’

Ze kijkt me met grote ogen aan: ‘Dus als ik lichtzaadjes plant in de buitenwereld en ze zichtbaar worden, dan is de dankbaarheid van mensen de liefde voor dat wat ik heb geplant?’

Ik knik. ‘En deze liefde durven toelaten in jezelf is de oogst van wat jij hebt gebracht. Zo stroomt de liefde weer terug naar de kathedraal van waaruit jij handelt, komt via de ramen naar binnen en verlicht de ruimte.’

Er valt een stilte. Dan zie ik bij mijn fysieke ik weer een innerlijke strijd ontstaan. ‘Maar wat als-‘. Even is het weer stil. Dan: ‘Wat als mensen niet reageren met dankbaarheid en liefde?’

De vraag blijft een tijdje in de ruimte hangen. Ik kijk even naar boven. Dan naar het Liefdesvuur, dat onverminderd brandt. Ik wacht. Dan begint het vuur aan te wakkeren. Mijn fysieke ik, die mij een tijdje had aangekeken, kijkt nu ook naar het vuur, dat op sommige plekken bijna wit is van hitte.

‘Waarmee voedt dat vuur zich?’ vraagt mijn fysieke ik.

Ik weet het antwoord, maar blijf zwijgen.

Het vuur wordt langzaam weer kleiner en keert terug naar zijn oorspronkelijke omvang. Bij mijn fysieke ik keert de rust terug. De spanning in haar lijf is weggeëbd. Er heerst nu een weldadige, serene stilte in de kathedraal. De verbondenheid tussen mij en mijn fysieke ik wordt groter en groter. Ik voel dat zij overstag is gegaan. Het is alsof het verleden niet bestaat. Alleen het nu is voelbaar. Zij weet nu dat angst en liefde naast elkaar kunnen bestaan. Ze mogen er beiden zijn. Op dit moment zijn we één.

Dan opeens zegt zij uit het niets: ‘Weet je, ik zal alle liefde die ik op mijn pad tegenkom ontvangen en vervolgens deel ik die met jou. Ik kom de liefde die ik ontvang van de buitenwereld, mijn oogst, hier in deze kathedraal opslaan.’

‘Onze kathedraal’, vul ik aan.

Plaats een reactie

a

Ut enim ad minim veniam, nostrud exercitation ullamco laboris ut aliquip commodo consequat.

??